Met het verdwijnen van de zon voelde de wind een stuk kouder. We besloten weidsheid van het strand te verruilen voor de warmte van de Haarlemse binnenstad. Guus en ik waren de boulevard opgelopen toen net op dat moment een lege tuk-tuk aankwam scheuren. Deze tuk-tuk bracht ons in no time naar het stationnetje van Zandvoort. We reden langs het strand waar we enkele uren geleden nog geslenterd hadden. De wind waaide ons hard om de oren. Ik voelde me prettig raar, fijn onwennig zo naast deze Guus op het achterbankje van de pruttelende tuk-tuk, warm en koud. We liepen het spoor op, terwijl ik nadacht of en wat er nog meer zou gebeuren.
Terwijl we naast elkaar neerploften op een leeg bankje, concludeerden we dat we toch minstens een half uur moesten wachten op de volgende boemeltrein. “Tsja, wat nu…moeten we zeker gaan praten ofzo?...” zwengelde ik het gesprek koket aan. Guus keek me aan met die donkere blik. Een seconde stilte. Nog een seconde stilte. “Kom nou eens op schoot zitten…” zei hij zacht en tikte met zijn handen op zijn schoot. “Nee…” aarzelde ik “Je zou toch niet moeten denken dat ik easy ben, hmmm?” maakte ik flirterig af. Ik lachte een kleine glimlach. “Ach…” zuchtte Guus “kom, dan gaan we vodka drinken in die kroeg daar” terwijl hij naar de overkant wees. We stonden op en ik werd overvallen door kriebels en zenuwen van zoete verwachting. Uiterlijk onbewogen, maar van binnen een kleine storm: zo volgde ik Guus naar de kroeg gelegen aan het Zandvoortse stationnetje.
In het half uur dat volgde, zaten we zij aan zij aan een kleine hoge tafel. Tussen het gebabbel van de locals en de bonkende muziek door moesten we veelvuldig dicht naar elkaar toe leunen om elkaar goed te verstaan. Nou ja, moesten…mijn mond kwam dicht bij zijn oor, zijn ogen rustend op mijn lippen op een minieme afstand. Tussen het drinken van de koude vodka’s door hielden we elkaars blikken net steeds wat langer vast. Het werd broeierig. Ik beet op mijn ijsklontje. “Laten we vast op ons gemak naar de trein lopen” stelde Guus voor. We dronken onze glazen in een teug leeg en ik ging hem voor de trap op. Zijn hand die Guus op mijn kont legde terwijl ik heupwiegend de trap op liep, negeerde ik volledig. Uiteraard stond op mijn gezicht een grijns van oor tot oor maar die hoefde hij nog niet te zien, besloot ik.
Toen we een plaatsje zochten in de wegrijdende trein grinnikte ik dat ik plaats voor twee zocht: nog steeds zou ik niet bij Guus op schoot kruipen. “Nog niet he…” voegde ik er volledig overbodig aan toe. Zodra we naast elkaar zaten, draaide ik ineens mijn hoofd naar hem toe. “Goh, wat zou er eigenlijk in Amsterdam te doen zijn vandaag?…” peinsde ik hardop. Guus trok een wenkbrauw op en zei gespeeld stoïcijns: “Oh, je hebt geen zin in Haarlem meer?...Dan gaan we toch kijken wat de nacht ons in Amsterdam brengt.” Ik knikte instemmend. “Guus, er bestaat de kans dat ik die laatste trein terug niet meer ga halen he…”. “Daar reken ik op.”
In Haarlem stapten we over met een kleine sprint, op weg naar het Amsterdamse nachtleven en nieuwe avonturen . Mijn hart klopte in mijn keel.