Het was gezellig druk op de Zeedijk. De vrijdagavond was goed van start en iedereen verkeerde in prima stemming. Muziek stroomde uit de kroegjes, mensen stonden op straat. Guus en ik slenterden en kwebbelden voort, allebei in de zoete wetenschap dat onze date wel eens een heel leuk staartje zou kunnen krijgen. We sloegen rechtsaf de Wallen op, waar het nog veel drukker was. Ik kwam steeds meer in een roes: was het de combinatie van de broeierige warmte van zomers Amsterdam op een vrijdagavond, het surrealistische rode licht op de wallen, het geroezemoes van de mensen op straat, de vodka’s die ik gedronken had, de rush van Guus aan mijn zijde….? Ik voelde me ontspannen en vreselijk verwachtingsvol tegelijk.
Guus leidde de weg en dwalend liepen we door steeds kleinere steegjes. De nachtvlinders stonden stoïcijns aan onze weerzijden in hun raam, witte slipjes en bh’s scherp afstekend door de vele blacklights. Er waren nu enkel nog mannen op straat, hunkerend kijkend naar de schone dames. Eén dame in het bijzonder trok veel mannelijke aandacht. Dit moest wel de koningin van het rode bal zijn, afgemeten aan de opstopping die voor haar raam was ontstaan. Tientallen mannen stonden daar, leunend tegen de muur, stilstaand midden in de steeg…niemand dorstte naar binnen te stappen. Geduldig schudde zij haar zwarte krullen los en bleef als een perfecte Madonna ingetogen glimlachen. Ik ving haar blik en de Madonna lachte als antwoord naar mij haar tanden bloot: door de blacklight in haar werkkamer lichtten ze bizar blauwig op. Ik grijnsde terug.
Links, rechts…Guus en ik liepen onder een poortje door waar een bouwstellage tegen de muren en het plafond aan was gebouwd. Ik greep me vast aan de ijzeren buizen en klauterde op het frame. Ik stapte voorzichtig een paar buizen hoger en leunde vervolgens met mijn rug tegen de muur. Guus trok zichzelf omhoog en kwam naast me staan. Zwijgend stonden we daar een tijdje, een goede meter boven de grond terwijl mensen onder ons voorbij liepen. Guus haalde op mijn verzoek apencapriolen uit. Hangend aan de pijpen boven ons hoofd, zijn voeten losjes bungelend verzuchtte hij “Pfff wat een man al doet om een meisje te imponeren. Ongelofelijk.” Toen trok hij zich zichtbaar gespeeld stoer nog een paar keer op, de verbaasde blikken van de passanten negerend. Ik giechelde.
Guus had zich laten zakken op de stellage en stond weer naast mij tegen de muur geleund. Volstrekt overbodig besloot ik langs Guus heen te willen stappen, terwijl we nog op de buizen balanceerden. Ik zette een voet over de zijne heen en zocht steun tegen de muur aan Guus’ andere zijde. Onze lichamen schoven noodzakelijkerwijs dicht langs elkaar. Zijn adem was voelbaar tegen mijn voorhoofd. Heel eventjes maar hield ik zijn blik vast en maakte vervolgens de grote stap af om helemaal aan zijn andere kant op het frame te komen. “Goh, dat doe je leuk” was zijn droge commentaar. “Ja he.” was het mijne, evenzo droog. Toen sprong Guus op de grond en zei “Laten we gaan dansen in de Winston”. Uitnodigend en galant stak hij zijn arm uit om mij te begeleiden bij mijn afsprong. Ik legde mijn hand losjes in de zijne en sprong ook op de grond. Toen lieten we elkaar weer los en liepen eindelijk het poortje uit.